Legaat van verpachte grond was sterker dan voorkeursrecht van pachter

De moeder van X is overleden. Tot haar nalatenschap behoort onder meer verpachte grond
die aan X is gelegateerd. In verband met afgifte van het legaat hebben de erfgenamen de
grondkamer verzocht om vast te stellen dat sprake is van een ernstige reden als bedoeld in
artikel 7:380 lid 2 BW waardoor het voorkeursrecht van de pachter mag worden genegeerd.
In hoger beroep wordt het verzoek van de erfgenamen toegewezen. De Centrale Grondkamer
overweegt hiertoe onder meer dat als moeder bij leven ervoor had gekozen de grond aan X
te vervreemden, het voorkeursrecht van de pachter niet van toepassing was geweest op
grond van artikel 7:380 lid 1 letter b BW omdat X behoort tot de daarin genoemde personen
waaraan de verpachter kan vervreemden zonder dat het voorkeursrecht van toepassing is.
De Centrale Grondkamer ziet aanleiding om haar eerdere rechtspraak (onder meer Centrale
Grondkamer 14 november 2000, nr V 1646 en Centrale Grondkamer 4 mei 2005, nr V 1683)
te heroverwegen. Toen was de Centrale Grondkamer nog van oordeel dat de plicht van de
erfgenamen om uitvoering te geven aan het testament van een erflater weliswaar zwaar
weegt, maar dat die enkele omstandigheid niet voldoende is om het voorkeursrecht van
de pachter opzij te zetten. Er moest dan tevens sprake zijn van andere omstandigheden.
Thans is de Centrale Grondkamer van oordeel dat afgifte van het legaat in een geval als dit
in beginsel een ernstige reden is als bedoeld in artikel 7:380 lid 2 BW. De wil van erflaatster
die bij leven aan haar zoon het verpachte had kunnen vervreemden zonder dat in dat geval
een voorkeursrecht zou hebben bestaan op grond van artikel 7:380 lid 1 letter b BW, weegt
voor de Centrale Grondkamer dus thans in beginsel het zwaarst. Een en ander behoudens
klemmende redenen voor de pachter, maar in casu is hiervan niet gebleken. De Centrale
Grondkamer onderkent dat zich de situatie kan voordoen dat de legataris het verpachte
op enig moment zelf in gebruik wenst te nemen met alle gevolgen van dien voor de pachter,
maar dit had zich ook kunnen voordoen als moeder de grond bij leven aan X had vervreemd.
Centrale Grondkamer 6 augustus 2014, nr V 1691

 Bron: Notamail 10 april 2015

Share